Voorbereiding: Toets:De tijd gaat snel

Hallo,

Ik ben nog enkele dingen vergeten.

!!!!!! Wat is de betekenis van decenium,millenium,semester,kwartaal, trimester moet je ook nog kennen!!!!!

Mogelijke vragen op de toets:

1) Orden de jaartallen in de tijd van vroeger tot nu en schrijf er bij in welke eeuw het zich afspeelt:

     203   -    854   -  1103  -   1000  -    601  -  1897   -   2015

2) Noteer het beginjaar van de 17 de eeuw en ook het eindjaar.

                                       van de 9 de eeuw

                                       van de 20 ste eeuw

                                       van de 3 de eeuw

                                       van de 6 de eeuw

3) Wanneer begon deze eeuw en wanneer eindigt ze?

4) Noteer één jaartal uit de 13 de eeuw. Het mag niet het beginjaar en niet het eindjaar zijn.

5) Wat is een eeuweling?

6) Schrijf de eeuw achter het jaartal.

    1302  ....E                 1100: ....E                612  ....E               400 .....E

7)Orden de tijdsmeters van het langst geleden tot nu

   sprekende klok- zandloper- chronometer- kaarsklok- staande klok- slingerklok- radarklok-

    zon-zonnewijzer- waterklok- mechanische klok-digitale klok-zakhorloge

8) De zon komt op in het ....., staat 's middags in het ...... en 's avonds in het ......, nooit in het ....

9) De maan draait rond de ........

10) De aarde beweegt in een ellipsvormige baan rond de ....

11) De aarde draait rond haar as in ..............(Hoeveel tijd duurt dit?)

12) De aarde draait in ............... dagen en ......uren of in ..............maanden of .... jaar rond de .............

13) Som de 4 jaargetijden op. Begin met het jaargetijde waarin we nu zijn.

14) Geef een ander woord voor jaargetijde.

15) Leg uit wat een kalenderjaar is: het begint met de maand...... en eindigt met de maand ...

16) Leg uit wat een schooljaar is: het begint met de maand...... en eindigt met de maand ...

17)Hoeveel weken zijn er in een jaar?

18) Hoeveel dagen zijn er in een jaar?

19) Hoeveel maanden zijn er in een jaar?

20) Hoe heet de periode tussen 2 volle manen?

21) Hoe heet de klok dat er in elk levend wezen is en je kan het niet zien.

22) Hoeveel dagen zijn er van 21/10 tot en met 5/11 ?

       ( Kijk ook de andere oefeningen na op pagina 13 in je contractje van de tijd)

23) Maak ook de oefeningen hieronder om te oefenen op de tijdsband!

 

Tijdsband:          oef 1-    oef 2     -   oef 3 -   oef 4  - oef 5

 

Waarom is het ‘s winters langer donker ?

Spelletjes over dag en nacht