Summatieve toets: wiskunde: september-april

Wat moet je kennen voor de toets?

Je kan je voorbereiden door de herhalingen van alle rekenboeken na te kijken en je toetsen in je toetsenmap na te kijken. Zorg dat je vooral dezelfde fouten niet meer maakt op je grote toets. Je kan op bingel alle oefeningen van sprong 1 tot en met sprong 11 maken ter voorbereiding en je kan ook oefeningen maken op deze website(oefeningen wiskunde)

Enkel als je je goed voorbereid zal deze toets probleemloos verlopen. Neem je neuze-neuzeboekje mee en kijk je leerstof nog na. Vooral meetkunde en metend rekenen zijn algemeen minder goed gekend.

Alvast veel succes!!!!

 

Getallenkennis:

- Getallen tot 10 000 lezen, schrijven, ordenen, afronden en situeren op een getallenas

- Tellen tot 10 000 met sprongen van 1, 10, 100 of 1 000

- Inzicht hebben in het plaatswaardesysteem
  De begrippen en symbolen E, T, H, D, TD gebruiken

- Een stambreuk en een echte breuk nemen van een hoeveelheid, een grootheid of een getal

- Bij een gegeven breuk het geheel vinden

- Breuken groter dan 1 herstructureren

- Gelijkwaardige breuken van een gegeven breuk zoeken

- Breuken met eenzelfde teller of eenzelfde noemer vergelijken

- Problemen i.v.m. verhoudingen oplossen door gebruik te maken van een verhoudingstabel

- Gegevens in een blokdiagram aflezen en er eenvoudige berekeningen mee uitvoeren

 

Bewerkingen:

- Gelijknamige breuken optellen en aftrekken

- Kommagetallen tot op 0,001 en natuurlijke getallen optellen en aftrekken (som en aftrektal

- Een kommagetal (tot op 0,01) vermenigvuldigen met een natuurlijk getal

- Twee of meer natuurlijke getallen vermenigvuldigen (product ≤ 10 000)

- Een kommagetal (tot op 0,01) delen door een natuurlijk getal

- Een natuurlijk getal < of = 10 000 delen door een natuurlijk getal, met of zonder rest

- Cijferend optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met natuurlijke getallen tot 10 000

- Een kommagetal cijferend aftrekken van een natuurlijk getal en omgekeerd

- Kommagetallen cijferend optellen bij of aftrekken van kommagetallen of van natuurlijke getallen

- Een kommagetal cijferend vermenigvuldigen met een natuurlijk getal < 100

- Natuurlijke getallen < 10 000 en kommagetallen cijferend delen door een natuurlijk getal < 10 tot op 0,001 nauwkeurig

Metend rekenen:

- De schaalaanduiding bij een afbeelding gebruiken om de reële afstand tussen twee punten te bepalen

- Ervaren dat bij het vormen van figuren met alle stukken van het tangram de oppervlakte gelijk blijft, ook als de vorm verandert

- Oppervlaktes ordenen

- De omtrek en de oppervlakte van rechthoek en vierkant berekenen door gebruik te maken van de basisformule

- De standaardmaateenheden cm2 en dm2 kennen en gebruiken en hun onderling verband kennen

- Lijnstukken en lengtes tot op 1 mm nauwkeurig meten en tekenen

- Het verband tussen mm en andere lengtematen gebruiken in toepassingen

- Meet- en berekeningsresultaten op verschillende wijzen noteren

- In betekenisvolle situaties herleidingen met ton en kg uitvoeren

- Berekeningsresultaten noteren in milliliter en als kommagetal in liter (bv. 0,125 l)

Meetkunde:

- Vierkant, rechthoek, ruit, parallellogram en trapezium benoemen en de eigenschappen van de zijden en de hoeken verwoorden

- De diagonalen van een vierhoek tekenen en de eigenschappen ervan onderzoeken en verwoorden

- Symmetrieassen ontdekken en tekenen in figuren en in vierhoeken
  Eenvoudige symmetrische figuren tekenen

- De eigenschappen van driehoeken onderzoeken en driehoeken op basis van hun eigenschappen benoemen

- Driehoeken met gegeven eigenschappen tekenen

- De begrippen ‘cirkel, straal, middelpunt, omtrek, diameter’ correct gebruiken

- Een cirkel tekenen met een passer